Gratis oefeningen, 4de leerjaar tot 1ste middelbaar
Rekenen met breuken: oefeningen
Tien werkbladen, elk over één bewerking met breuken. Je typt je antwoord, drukt op Controleer en leest meteen of het klopt en waarom. Bij een fout zegt de uitleg welke fout het was, niet alleen wat het juiste antwoord is.
Elk werkblad heeft drie niveaus en een knop voor een nieuwe reeks, dus je oefent zo lang als je wilt zonder twee keer dezelfde som te zien.
Kies een onderwerp
Breuken optellen en aftrekken: oefeningen
Breuken optellen of aftrekken kan alleen als de stukken even groot zijn, dus als de noemers gelijk zijn. Zijn ze dat niet, dan maak je de breuken eerst gelijknamig met het kleinste gemene veelvoud van de noemers.
Lager onderwijs (5de en 6de leerjaar) en 1ste graad secundair
Breuken vermenigvuldigen: oefeningen
Breuken vermenigvuldigen is de makkelijkste bewerking met breuken: teller maal teller, noemer maal noemer. Gelijknamig maken hoeft niet.
6de leerjaar en 1ste graad secundair
Breuken delen: oefeningen
Delen door een breuk is vermenigvuldigen met het omgekeerde van die breuk. 3/4 : 2/5 wordt 3/4 × 5/2. Alleen de breuk waar je door deelt keert om, de eerste blijft staan.
6de leerjaar en 1ste graad secundair
Breuken vereenvoudigen: oefeningen
Een breuk vereenvoudigen is teller en noemer door hetzelfde getal delen, tot er geen gemeenschappelijke deler meer over is. De waarde van de breuk verandert niet: 6/8 en 3/4 zijn even veel.
5de en 6de leerjaar, 1ste graad secundair
Gelijkwaardige breuken: oefeningen
Twee breuken zijn gelijkwaardig als ze dezelfde hoeveelheid voorstellen, ook al zien ze er anders uit. 2/3 = 8/12: vier keer zoveel stukken, maar elk stuk is vier keer kleiner.
4de tot 6de leerjaar
Breuken vergelijken: oefeningen
Hebben twee breuken dezelfde noemer, dan vergelijk je de tellers. Hebben ze dezelfde teller, dan wint de kleinste noemer, want minder stukken betekent grotere stukken.
5de en 6de leerjaar, 1ste graad secundair
Breuken en procenten: oefeningen
Procent betekent per honderd. Een breuk omzetten naar een percentage is dus de noemer 100 maken: 3/4 = 75/100 = 75%. Andersom schrijf je het percentage als honderdsten en vereenvoudig je: 35% = 35/100 = 7/20.
6de leerjaar en 1ste graad secundair
Breuken en kommagetallen: oefeningen
Een breuk is een deling: 3/4 betekent 3 gedeeld door 4, en dat is 0,75. Sneller gaat het als je de noemer 10, 100 of 1000 maakt, want dan lees je het kommagetal meteen af.
5de en 6de leerjaar, 1ste graad secundair
Gemengde getallen en onechte breuken: oefeningen
Een onechte breuk heeft een teller die groter is dan de noemer, zoals 7/4. Een gemengd getal schrijft dezelfde hoeveelheid als hele plus een rest: 1 3/4. Beide zijn juist, het hangt af van wat je ermee wilt doen.
5de en 6de leerjaar, 1ste graad secundair
Een breuk van een getal nemen: oefeningen
Een breuk van een getal nemen doe je in twee stappen: deel het getal door de noemer, en vermenigvuldig het resultaat met de teller. 3/4 van 20: 20 : 4 = 5, en 5 × 3 = 15.
4de tot 6de leerjaar
De drie niveaus
Basis
Kleine getallen en één stap. Voor wie het net geleerd heeft of het opnieuw wil opbouwen.
Gemiddeld
Wat er op een toets in het 6de leerjaar of het 1ste middelbaar staat.
Moeilijk
Grotere getallen, gemengde getallen en sommen met drie termen. Als dit vlot gaat, zit het erin.
Zo haal je er het meeste uit
- Begin op Basis, ook als je denkt dat je het kent. Acht sommen zonder fout, dan mag je door.
- Lees bij een fout eerst de eerste stap en probeer opnieuw. Pas daarna de volledige uitwerking.
- Schrijf de tussenstappen op papier. Wie alles uit het hoofd probeert, verliest de noemer onderweg.
- Lukt Moeilijk in één keer? Dan is dit onderwerp klaar. Ga naar het volgende, of naar de interactieve uitleg over gelijknamig maken als je wilt zien waarom de regel werkt.
Veelgestelde vragen
Voor welke leeftijd zijn deze oefeningen op breuken?
Van het 4de leerjaar (gelijkwaardige breuken, een breuk van een getal) tot het 1ste middelbaar (delen, gemengde getallen, procenten). Elk werkblad zegt bovenaan voor welk niveau het bedoeld is, en elk niveau bouwt op van basis naar moeilijk.
Wat gebeurt er als ik een fout antwoord geef?
Je krijgt te horen welke fout je waarschijnlijk maakte (tellers en noemers opgeteld, vergeten om te keren, te vroeg gestopt met vereenvoudigen) en de eerste stap van de oplossing. Daarna mag je opnieuw proberen. Bij een tweede fout verschijnt de volledige uitwerking.
Kan ik nieuwe oefeningen krijgen?
Ja. Elke reeks heeft een knop Nieuwe reeks die acht andere opgaven van hetzelfde niveau maakt. De getallen worden telkens opnieuw gekozen, dus je kunt zo vaak oefenen als je wilt.
In welke volgorde leer ik breuken het best?
Eerst gelijkwaardige breuken en vereenvoudigen, want daar leunt al de rest op. Dan vergelijken, optellen en aftrekken. Daarna vermenigvuldigen, delen en gemengde getallen. Procenten en kommagetallen komen op het einde, als de breuk zelf vertrouwd is.
Liever iemand die het uitlegt?
Oefeningen vinden de fout. Een bijlesdocent vindt waarom je ze maakt, en dat scheelt weken.