Gratis oefeningen, 6de leerjaar en 1ste graad secundair
Breuken delen: oefeningen
Delen door een breuk is vermenigvuldigen met het omgekeerde van die breuk. 3/4 : 2/5 wordt 3/4 × 5/2. Alleen de breuk waar je door deelt keert om, de eerste blijft staan.
Daarna is het gewoon vermenigvuldigen: teller maal teller, noemer maal noemer, en vereenvoudigen.
Basis
Een geheel getal gedeeld door een breuk, en een breuk gedeeld door een geheel getal.
Gemiddeld
Breuk gedeeld door breuk met kleine getallen.
Moeilijk
Gemengde getallen die je eerst omzet, en antwoorden die je moet vereenvoudigen.
Oefeningen
Vul teller en noemer in. Een antwoord groter dan 1 mag je als onechte breuk schrijven.
Basis
Een geheel getal gedeeld door een breuk, en een breuk gedeeld door een geheel getal.
Gemiddeld
Breuk gedeeld door breuk met kleine getallen.
Moeilijk
Gemengde getallen die je eerst omzet, en antwoorden die je moet vereenvoudigen.
Veelgestelde vragen
Waarom keer je bij delen de tweede breuk om?
Delen vraagt hoeveel keer iets ergens in past. In 3 hele passen 6 halven, dus 3 : 1/2 = 6, en dat is hetzelfde als 3 × 2. Delen door een breuk komt altijd neer op vermenigvuldigen met de omgekeerde breuk.
Welke breuk keer ik om, de eerste of de tweede?
Altijd de tweede, de breuk waar je door deelt. 3/4 : 2/5 = 3/4 × 5/2. Keer je de eerste om, dan krijg je het omgekeerde van het juiste antwoord.
Hoe deel ik een breuk door een geheel getal?
Schrijf het gehele getal als breuk met noemer 1 en keer het om. 2/3 : 4 = 2/3 × 1/4 = 2/12 = 1/6. Of korter: vermenigvuldig de noemer met het gehele getal.
Meer oefeningen met breuken
Blijft het moeilijk?
Oefenen helpt, maar soms zit er één ontbrekende schakel in de weg die je zelf niet ziet. Een bijlesdocent wiskunde vindt die in één les.