Gratis oefeningen, 5de en 6de leerjaar, 1ste graad secundair
Breuken vergelijken: oefeningen
Hebben twee breuken dezelfde noemer, dan vergelijk je de tellers. Hebben ze dezelfde teller, dan wint de kleinste noemer, want minder stukken betekent grotere stukken.
In alle andere gevallen maak je ze eerst gelijknamig. Vaak helpt een ankerpunt sneller: is de ene breuk meer dan een half en de andere niet, dan ben je al klaar.
Basis
Dezelfde noemer of dezelfde teller.
Gemiddeld
Verschillende noemers, en soms zijn de breuken precies gelijk.
Moeilijk
Breuken die dicht bij elkaar liggen, zoals 7/9 en 11/14, waar gokken op de getallen niet werkt.
Oefeningen
Kies het juiste teken: kleiner dan, gelijk aan of groter dan.
Basis
Dezelfde noemer of dezelfde teller.
Gemiddeld
Verschillende noemers, en soms zijn de breuken precies gelijk.
Moeilijk
Breuken die dicht bij elkaar liggen, zoals 7/9 en 11/14, waar gokken op de getallen niet werkt.
Veelgestelde vragen
Is een breuk met grotere getallen ook een grotere breuk?
Nee. 3/12 is kleiner dan 1/3, hoewel 3 en 12 groter zijn dan 1 en 3. Grotere getallen zeggen niets over de waarde. Alleen gelijknamig maken of naar een kommagetal omzetten geeft zekerheid.
Hoe vergelijk ik breuken zonder gelijknamig te maken?
Met ankerpunten. Vergelijk elke breuk met 0, 1/2 en 1: 5/9 is net meer dan een half, 3/8 net minder, dus 5/9 > 3/8. Zelfde teller? Dan is de breuk met de kleinste noemer de grootste.
Wanneer zet ik een gelijkheidsteken tussen twee breuken?
Als ze dezelfde waarde hebben, ook al zien ze er anders uit. 4/6 = 2/3, want 4/6 is 2/3 met teller en noemer maal 2. Twijfel je, vereenvoudig dan allebei: komen ze op dezelfde breuk uit, dan zijn ze gelijk.
Meer oefeningen met breuken
Blijft het moeilijk?
Oefenen helpt, maar soms zit er één ontbrekende schakel in de weg die je zelf niet ziet. Een bijlesdocent wiskunde vindt die in één les.