Terug naar de blog
woordenschatFransEngelstalenstudiemethodeVlaanderen

Woordenschat leren: waarom de lijst doorlezen niet werkt

Louis Vanhove7 min lezen

Woordenschat is bij talen het onderdeel waar de meeste tijd in gaat en waar het rendement het laagst is. Dat komt bijna altijd door één ding: de manier waarop er geoefend wordt.

De standaardaanpak is de lijst doorlezen. Nederlands links, Frans rechts, van boven naar beneden, twee of drie keer. Aan het eind heb je het gevoel dat je ze kent.

Dat gevoel is grotendeels los van of je ze op een examen kan produceren.

Herkennen en produceren zijn twee dingen

Dit is de kern en het is met één test aan te tonen.

Dek de vreemde taal af en werk van het Nederlands naar het Frans of het Engels. Niet omgekeerd.

De meeste leerlingen schrikken de eerste keer, ook de leerlingen die dachten dat ze het kenden. Want in de andere richting is het antwoord zichtbaar en hoef je alleen te herkennen, en herkennen is veel makkelijker dan ophalen.

Een examen vraagt bijna altijd produceren: een tekst schrijven, een zin aanvullen, iets zeggen. Dus oefen in de richting die getest wordt.

Dat is de hele omslag. Ze kost geen extra tijd en ze verandert je resultaat meer dan welke andere aanpassing ook.

Verspreiden verslaat blokken

De tweede grote hefboom is niet wat je doet maar wanneer.

Vijf keer twintig minuten over een week zet aanzienlijk meer vast dan één sessie van twee uur. Bij woordenschat is dat verschil groter dan bij vrijwel elk ander onderdeel van school.

De reden: elke keer dat je een woord met enige moeite ophaalt, wordt het steviger opgeslagen. Als je het net gelezen hebt, is er geen moeite en dus weinig effect. Die moeite krijg je alleen als er tijd tussen zat.

Praktisch: begin de dag dat de lijst gegeven wordt, niet de avond voor de toets. Twintig minuten per dag, en dan hoef je de avond ervoor bijna niets meer te doen.

Werk met de woorden die je fout had

De derde hefboom, en de meest verwaarloosde.

Wie een lijst van dertig woorden vijf keer doorloopt, besteedt evenveel tijd aan de vijf die hij meteen kende als aan de vijf die hij telkens fout heeft. Dat is verspilling.

Wat wel werkt: hou bij welke woorden je fout had, en laat die vaker terugkomen. Dat is precies wat een flashcardsysteem doet, of het nu een stapel kaartjes is of een app.

Met papier werkt dit ook prima: twee stapels, de goede en de foute, en je begint elke sessie bij de foute stapel. Na een paar dagen zie je die stapel slinken, en dat is meteen zichtbaar bewijs van vooruitgang, wat het volhouden makkelijker maakt.

Leer het woord niet helemaal alleen

Een los woord is moeilijker te onthouden en minder bruikbaar dan hetzelfde woord in een klein verband.

Wat je erbij leert, hangt van de taal af.

Bij Frans en Duits: altijd het lidwoord. Le of la, der of die of das. Dat is achteraf niet meer af te leiden en het wordt op elk examen gecontroleerd. Wie het lidwoord pas later probeert toe te voegen, moet elk woord twee keer leren.

Bij werkwoorden: het voorzetsel dat erbij hoort. Penser à, dépendre de, to depend on, to listen to. Precies daar test een examen graag, en het is niet te raden vanuit het Nederlands.

Bij alles: één korte voorbeeldzin. Niet een hele zin uit de tekst maar een fragment van vier of vijf woorden. Dat geeft je context, en context is wat je later helpt het woord terug te vinden.

Wat je met de lijst van school doet

De woordenlijst uit je handboek is meestal thematisch geordend en dat is nuttig en gevaarlijk tegelijk.

Nuttig, omdat woorden in een thema samenhangen en elkaar oproepen. Gevaarlijk, omdat je ze in de volgorde van de lijst leert en op de toets in willekeurige volgorde krijgt. Wie de lijst altijd van boven naar beneden overloopt, leert de volgorde mee, en die is er op het examen niet.

Schud dus. Bij kaartjes gaat dat vanzelf. Bij een lijst: begin een keer onderaan, of dek willekeurig af.

En schrijf ze een keer met de hand over in willekeurige volgorde. Dat kost tien minuten en het is meteen een eerste actieve ronde.

Hardop, en niet alleen in je hoofd

Bij talen is uitspraak een deel van het geheugen, en het wordt bijna altijd overgeslagen.

Zeg de woorden hardop terwijl je oefent. Dat doet twee dingen: je onthoudt beter, want je gebruikt meer dan alleen je ogen, en je bereidt tegelijk het mondelinge deel voor.

Wie woordenschat alleen in stilte leert en op een mondeling voor het eerst probeert uit te spreken, merkt daar dat hij het woord wel weet en niet vlot kan zeggen. Dat is zonde, want de kennis was er.

Twintig minuten per dag, concreet

Een indeling die voor de meeste leerlingen werkt.

Vijf minuten: de foute stapel van gisteren, van het Nederlands naar de vreemde taal, hardop.

Tien minuten: vijftien nieuwe woorden, met lidwoord of voorzetsel, en een fragment erbij. Meteen twee keer overhoren.

Vijf minuten: een willekeurige greep uit alles van deze week, om te controleren of het oude blijft zitten.

Meer dan twintig minuten is voor woordenschat meestal niet zinvol op één dag, want de opbrengst per minuut zakt snel. Beter een dag extra dan een uur langer.

Ezelsbruggetjes voor de woorden die blijven plakken

In elke lijst zitten vijf of zes woorden die er om onduidelijke redenen niet in gaan. Je hebt ze twintig keer gezien en ze blijven weg.

Voor die woorden loont een ezelsbruggetje, en voor de rest is het tijdverlies. Dat onderscheid is belangrijk: wie voor elk woord een verhaaltje verzint, is drie keer zo lang bezig voor hetzelfde resultaat.

Wat werkt is meestal iets belachelijks. Koppel het vreemde woord aan een Nederlands woord dat er een beetje op lijkt en maak er een beeld bij dat te absurd is om te vergeten. Hoe gekker, hoe beter het blijft hangen, en dat is geen grap maar precies hoe geheugen voor beelden werkt.

Zoek ook naar familie. Veel Franse en Engelse woorden hebben een verwant in het Nederlands of in een taal die je al kent, en dat verband is meestal een steviger haakje dan een verzonnen verhaal. Wie ziet dat écrire familie is van schrijven via het Latijn, of dat het Engelse fragile naast fragiel staat, heeft geen ezelsbruggetje meer nodig.

En let bij die lastige woorden op valse vrienden: woorden die er bekend uitzien en iets anders betekenen. Dat is precies het type dat op een examen wordt uitgekozen, juist omdat iedereen erin trapt.

Als het bij een specifiek vak vastloopt

Woordenschat is zelden het enige. Bij Frans hangt het meestal samen met werkwoordsvormen die niet automatisch zijn, en dan versterken die twee elkaar: elke zin kost dan dubbel.

De volledige diagnose per onderdeel staat in tweede zit Frans, en die aanpak werkt ook zonder herexamen. Voor de werkwoordstijden specifiek is passé composé of imparfait het startpunt. Bij Engels ligt het anders, want daar is de passieve woordenschat meestal groot en de actieve klein: dat staat uitgewerkt in tweede zit Engels.

En voor het geheugenwerk in het algemeen, dat bij dit onderdeel het hele spel is, staat er meer in onthouden wat je studeert.

Voor Duits speelt daar de naamvallen bovenop, en waar dat misgaat staat in Duits leren in het secundair. Leer je een taal buiten school om, als volwassene, dan gelden andere regels: die staan in een taal leren als volwassene.

Veelgestelde vragen

Waarom ken ik de woorden wel en kan ik ze niet gebruiken?

Omdat je waarschijnlijk in de verkeerde richting oefent. Van het Frans naar het Nederlands is herkennen, en dat voelt makkelijk omdat het woord voor je staat. Van het Nederlands naar het Frans is produceren, en dat is wat een examen vraagt. Wie alleen de eerste richting oefent, test zijn geheugen niet echt.

Hoeveel woorden per dag kan je leren?

Minder dan de meeste mensen zich voornemen en meer dan ze uiteindelijk halen. Vijftien tot twintig nieuwe woorden per dag is voor de meeste leerlingen een werkbaar tempo, mits je de oude blijft herhalen. Vijftig op één avond blijft zelden hangen, ook al lukt de overhoring die avond wel.

Werken flashcards echt?

Voor woordenschat wel, en het is een van de weinige studiemethodes waar dat vrij duidelijk is. De reden is dat ze je dwingen op te halen in plaats van te herlezen, en dat ze je toelaten woorden die je fout had vaker terug te zien. Of je papier of een app gebruikt, maakt minder uit dan dat je de moeilijke woorden vaker herhaalt.

Moet ik woorden in zinnen leren of los?

In een korte zin of met een vast woordje erbij werkt beter dan volledig los. Bij Frans en Duits leer je het lidwoord altijd mee, want dat is later niet meer af te leiden. En bij werkwoorden hoort het voorzetsel erbij, want dat is precies waar een examen op test.

Hoe onthoud ik woorden op langere termijn?

Door ze verspreid terug te zien in plaats van in blok. Vijf keer twintig minuten over een week zet meer vast dan één sessie van twee uur, omdat elke keer dat je een woord met moeite ophaalt, het steviger wordt. Die moeite heb je alleen als er tijd tussen zat.