Als er één grammaticaonderwerp is dat Vlaamse leerlingen jaar na jaar punten kost, is het dit. Niet omdat het moeilijk is, maar omdat er iets in de weg zit: je eigen taal.
Bij de meeste grammatica helpt je taalgevoel. Hier werkt het actief tegen je, en dat is de moeite om te begrijpen voor je aan oefeningen begint.
Waarom je gevoel je hier bedriegt
In het Nederlands hebben we ook twee verleden tijden. "Ik heb gegeten" en "ik at". Maar wij kiezen daartussen op basis van register en gewoonte, niet op basis van betekenis. In Vlaanderen zeggen we "ik heb gegeten" in bijna elke situatie waar een Nederlander soms "ik at" zou zeggen, en niemand hoort daar een betekenisverschil in.
In het Frans is het geen stijlkwestie. De keuze verandert wat je zegt.
Vergelijk deze twee: "il pleuvait quand je suis sorti" en "il a plu quand je suis sorti". De eerste zegt dat het aan het regenen was toen je buitenkwam, het regende al. De tweede zegt dat het begon te regenen op het moment dat je buitenkwam. Dat is een ander verhaal.
Zolang je vertaalt vanuit het Nederlands, heb je geen enkele aanwijzing welke van de twee je nodig hebt. Daarom werkt "kiezen wat het beste klinkt" hier niet, terwijl het bij veel andere dingen in het Frans prima werkt.
De decorvraag
Er is één vraag die de meeste gevallen oplost, en ze is te onthouden.
Is dit het decor, of gebeurt hier iets?
Het decor is imparfait. Hoe het weer was, hoe oud iemand was, wat er aan de hand was, wat er gewoonlijk gebeurde, wat er al bezig was. De achtergrond waartegen het verhaal zich afspeelt.
De gebeurtenis is passé composé. Iets gebeurde, het had een begin en een einde, het duwde het verhaal vooruit.
Denk aan een film. Het decor is het beeld dat er al staat als de scène begint: de regen, de lege straat, de man die aan een tafel zit. De gebeurtenis is wat er dan gebeurt: de deur gaat open, iemand komt binnen, de telefoon rinkelt.
Neem een verhaaltje uit je cursus en markeer elke werkwoordsvorm met D of G. Je zal zien dat het patroon meteen zichtbaar wordt, en dat de vormen daarop kloppen.
Wat er in de imparfait thuishoort
Drie categorieën, en ze zijn alle drie te herkennen.
Toestanden en beschrijvingen. Hoe iets was. Het weer, de leeftijd, het uiterlijk, gevoelens, de tijd van de dag. "Il faisait froid", "elle avait vingt ans", "j'étais fatigué".
Gewoontes en herhaling. Wat er vroeger altijd gebeurde. "Quand j'étais petit, j'allais chez ma grand-mère tous les dimanches." Hier hoort meestal een signaalwoord bij: toujours, souvent, chaque, d'habitude.
Iets dat bezig was. Een handeling die aan de gang was toen er iets anders gebeurde. Dit is de klassieke examenzin, en dat is geen toeval: hij test precies het onderscheid.
Wat er in de passé composé thuishoort
Eenvoudiger, want het is er maar één: iets gebeurde en is afgerond.
Een eenmalige gebeurtenis. Een reeks gebeurtenissen na elkaar. Iets dat een duidelijk begin of einde had, ook als het lang duurde. Want dat is een misverstand dat blijft rondgaan: passé composé gaat niet over kort en imparfait niet over lang. "Il a plu pendant trois jours" is passé composé, ook al duurde het drie dagen, want het is afgesloten en beschreven als één geheel.
Het gaat over hoe je het bekijkt, niet over de klok.
De zin waar het examen op test
Als je één zinstype herkent, herken dit.
"Je regardais la télé quand le téléphone a sonné."
Twee werkwoorden, twee verschillende tijden, en dat is precies de bedoeling. Het kijken was bezig, dat is het decor, dus imparfait. Het rinkelen gebeurde, dat is de gebeurtenis, dus passé composé.
Dit patroon komt op elk examen terug, meestal met quand of pendant que in het midden. Wat aan de gang was, gaat in de imparfait. Wat er dwars doorheen gebeurt, gaat in de passé composé.
Oefen dit patroon apart, tien zinnen, tot je het ziet zonder na te denken.
Signaalwoorden: nuttig, niet beslissend
Een aantal woorden wijzen meestal in één richting, en die zijn handig als geheugensteun.
Richting imparfait: toujours, souvent, tous les jours, chaque semaine, d'habitude, autrefois, pendant que, comme.
Richting passé composé: soudain, tout à coup, hier, une fois, deux fois, un jour, puis, ensuite.
Belangrijk: dit zijn aanwijzingen en geen bewijzen. Een examen zet er graag eentje in waar de betekenis de andere kant op wijst, precies om te zien of je meedenkt of alleen naar signaalwoorden kijkt. De decorvraag blijft doorslaggevend.
Vormen: eerst dit, dan de keuze
De keuze maken heeft weinig zin als de vormen niet zitten, en dat is een apart stuk werk.
Voor de imparfait is er goed nieuws: hij is bijna volledig regelmatig. Je neemt de wij-vorm van de tegenwoordige tijd, haalt de uitgang eraf, en plakt er de imparfait-uitgangen aan. Er is praktisch één uitzondering, namelijk être.
Voor de passé composé is er meer te onthouden: het juiste hulpwerkwoord, het voltooid deelwoord, en de overeenkomst. De werkwoorden met être zijn een beperkte groep en de moeite om echt vast te zetten, want ze komen constant terug. En bij être hoort de overeenkomst met het onderwerp, wat op examens graag gecontroleerd wordt.
Doe die vormen eerst, een week lang tien minuten per dag. Daarna pas de keuze oefenen. Wie beide tegelijk probeert, twijfelt bij elke oefening over twee dingen en leert geen van beide goed.
En dan is er nog de plus-que-parfait
Vanaf ongeveer het vierde jaar komt er een derde verleden tijd bij, en die maakt het makkelijker in plaats van moeilijker zodra je ziet waar hij voor dient.
De plus-que-parfait beschrijft iets dat al gebeurd was voordat het andere gebeurde. Hij zet één laag dieper in het verleden. "Quand je suis arrivé, il était déjà parti": het vertrekken kwam eerst, het aankomen daarna.
De vorm is eenvoudig als je de passé composé al hebt: hetzelfde hulpwerkwoord, maar dan in de imparfait, plus hetzelfde voltooid deelwoord. Wie avoir en être in de imparfait kent, kan hem meteen maken.
Waar hij op examens opduikt, is meestal in verhalen met meerdere tijdslagen, en in de indirecte rede: wanneer je vertelt wat iemand zei, schuift alles een laag naar achteren.
Het punt om te onthouden: de decorvraag blijft gewoon gelden. De plus-que-parfait vervangt de andere twee niet, hij komt erbij voor wat al af was voor het verhaal begon.
Hoe je dit in twee weken repareert
Week 1, vormen. Elke dag tien werkwoorden vervoegen in beide tijden. Niet uit een rijtje overschrijven maar uit het hoofd, en dan nakijken.
Week 2, keuze in context. Elke dag een kort tekstje waarin je de vormen moet invullen. Belangrijk: een lopend verhaal, geen losse zinnen. De keuze hangt van de context af, dus losse zinnen oefenen iets anders dan wat je nodig hebt.
Bij het nakijken: markeer bij elke fout of het een vormfout was of een keuzefout. Dat onderscheid vertelt je waar je volgende dag naartoe gaat. Vier keuzefouten zijn één probleem, vier vormfouten zijn een ander.
Als het bij meer dan dit vak vastzit
Werkwoordstijden zijn zelden het enige. Wie hier vastloopt, heeft vaak ook gaten in de voornaamwoorden en in actieve woordenschat, en dat komt doordat Frans jarenlang opstapelt zonder dat er iets zichtbaar breekt.
De volledige aanpak per onderdeel staat in tweede zit Frans, ook als je niet in een herexamen zit: de diagnose in dat artikel werkt het hele jaar door.
Loopt het vooral op onthouden vast, dan is onthouden wat je studeert nuttiger dan meer grammatica. En wie er alleen niet uitkomt: onze docenten geven bijles Frans in het secundair, en één uur is vaak genoeg om te horen of je een vormprobleem hebt of een keuzeprobleem.