Terug naar de blog
toelatingsexamenijkingstoetshoger onderwijsexamensstudiemethodeVlaanderen

Een toelatingsexamen voorbereiden: waarom studeren alleen niet volstaat

Louis Vanhove7 min lezen

Een toelatingsexamen of een ijkingstoets is een ander soort examen dan wat leerlingen zes jaar lang gewend zijn, en dat verschil wordt zelden expliciet gemaakt.

Wie zich voorbereidt alsof het een schoolexamen is, bereidt de verkeerde dingen voor.

Selecteren is iets anders dan toetsen

Een schoolexamen test of je de leerstof beheerst. Het is gemaakt om te meten wat je kent, en als iedereen slaagt, is dat een goede uitkomst.

Een selectie-examen sorteert kandidaten. Het moet onderscheid maken tussen mensen die de leerstof allemaal in zekere mate beheersen, en dat doet het met drie middelen: tempo, vraagvorm en breedte.

Dat heeft praktische gevolgen die de meeste kandidaten onderschatten.

Je kan zakken met voldoende kennis. Als je te traag werkt, kom je niet rond, en dan telt wat je wist niet mee. Dit is verrassend vaak de echte oorzaak.

Het formaat is een vaardigheid apart. Meerkeuzevragen met strafpunten voor fouten vragen een andere strategie dan open vragen. Wie dat pas op de dag zelf uitvindt, verliest punten aan iets dat niets met kennis te maken heeft.

De breedte is groter. Er wordt getest over de volle leerstof van meerdere jaren, niet over het hoofdstuk van deze maand. Dat betekent dat oude gaten die je in het secundair kon omzeilen, hier gewoon opduiken.

Verdeel je voorbereiding in drie fasen

De fout die het vaakst gemaakt wordt: alles doornemen, van voor naar achter, tot de dag zelf. Dat besteedt evenveel tijd aan wat je al kende als aan wat je niet kende, en het traint geen van de andere twee dingen.

Fase één: de gaten in kaart brengen en dichten. Maak eerst een oefenexamen, ongestudeerd. Dat voelt onzinnig en het vertelt je precies waar je tijd naartoe moet. Dicht daarna gericht wat er ontbreekt.

Fase twee: het formaat leren. Werk met echte examenvragen, zoveel als je er kan krijgen. Het formaat is voorspelbaarder dan de inhoud, en wie het kent, verliest er geen tijd meer aan. Let daarbij op hoe de foute antwoorden geconstrueerd zijn: bij meerkeuze zit er vaak een optie in die klopt met een veelgemaakte denkfout.

Fase drie: tempo onder echte omstandigheden. Volledige oefenexamens, met een klok, in één zit, zonder pauzes en zonder iets op te zoeken. Dit is de fase die het vaakst wegvalt omdat er geen tijd meer voor is, en het is de fase die het meest oplevert.

Reken op maanden voor het geheel en niet op weken. En begin met fase één, niet met studeren.

Waar de wetenschapsvakken meestal breken

Bij de examens die wetenschappen testen, zijn de struikelblokken opvallend consistent, en ze liggen bijna altijd in de basis.

Bij chemie is het de mol. Als de omrekening tussen massa, hoeveelheid stof en deeltjes niet automatisch is, kost elke opgave extra tijd en aandacht, en tijd is hier precies wat je niet hebt. Dat staat uitgewerkt in de mol uitgelegd.

Bij fysica is het het opzetten. Niet de formules maar de vertaling van een situatie naar krachten en vergelijkingen. Wie meteen naar een formule grijpt, gokt. De aanpak staat in tweede zit fysica, en die werkt ook zonder herexamen.

Bij wiskunde is het rekenvaardigheid. Machten, breuken, wortels en goniometrie moeten automatisch zijn. Wie daarover moet nadenken, verliest per opgave seconden die optellen. Zie goniometrie uitgelegd en afgeleiden en integralen.

Bij biologie is het volume. Hier helpt spreiding en actief ophalen, niet herlezen. Zie tweede zit biologie.

Merk op dat het bij drie van de vier om automatisering gaat en niet om begrip. Dat is typisch voor een examen met tijdsdruk.

Het onderdeel dat niemand voorbereidt

Bij een aantal toelatingsexamens hoort een deel dat niet over vakinhoud gaat: informatie verwerken, redeneren, communiceren, of situaties inschatten.

Dat wordt structureel onderbereid, om een begrijpelijke reden: het lijkt niet op studeren en je kan er niet voor blokken.

Je kan er wel voor oefenen. Het formaat is leerbaar, de vraagtypes komen terug, en wie er tien van gemaakt heeft, werkt er merkbaar sneller doorheen dan wie ze voor het eerst ziet.

Zoek dus uit welke onderdelen jouw examen heeft en hoe zwaar elk weegt, en verdeel je tijd naar dat gewicht en niet naar wat het meest vertrouwd aanvoelt. Die informatie staat op de officiële site van het examen zelf, en dat is ook de plek om ze te halen, want de opzet wordt af en toe herzien.

Hoe je een oefenexamen nakijkt

Dit is het onderdeel waar de meeste voorbereiding verloren gaat. Kandidaten maken oefenexamens, tellen hun score, en gaan door naar het volgende. Dan test je jezelf, en test je jezelf niet.

Kijk per fout na welke van vier soorten het was.

Kennisfout. Je wist het niet. Dat is het makkelijkst op te lossen: noteer het onderwerp en studeer het.

Toepassingsfout. Je kende de stof en zag niet dat ze hier van toepassing was. Dat los je op met meer gemengde oefeningen, waarbij je niet weet uit welk hoofdstuk een vraag komt.

Leesfout. Je beantwoordde iets anders dan er gevraagd werd. Dat is een gewoonte: de vraag onderstrepen voor je begint.

Tempofout. Je wist het en kwam er niet aan toe. Dan is meer studeren zinloos en is het herverdelen van je tijd het antwoord.

Die vier vragen tegengestelde reacties, en dat is het punt. Wie zijn fouten niet sorteert, weet niet of hij moet studeren, oefenen, opletten of versnellen, en doet meestal het eerste omdat dat het vertrouwdst voelt.

Hou een lijst bij over meerdere oefenexamens heen. Na drie stuks zie je een patroon, en dat patroon is je hele voorbereidingsplan voor de weken erna.

Op de dag zelf

Een paar dingen die punten kosten en niets met kennis te maken hebben.

Ken de spelregels rond gokken. Als er strafpunten staan op een fout antwoord, verandert dat je strategie volledig. Zoek dat op voor de dag zelf en niet erop.

Werk in rondes. Eerst alles wat vlot gaat, dan terug naar de rest. Twintig minuten vastzitten op één vraag terwijl er tien makkelijkere onder staan, is de duurste beslissing van de dag.

Sla over en markeer. Een vraag die niet komt, laat je liggen met een duidelijk teken. Wie blijft hangen uit koppigheid, verliest twee keer.

Slaap. De avond ervoor nog een hoofdstuk erbij nemen kost je scherpte op alles wat je wél kende. Bij een examen dat tempo test, is dat een bijzonder slechte ruil. Zie slaap en studeren.

Het jaar ernaartoe volhouden

Een voorbereiding die maanden duurt en op één dag uitkomt, is mentaal iets anders dan een examenperiode, en dat wordt zelden besproken.

Twee dingen die het verschil maken tussen volhouden en halverwege instorten.

Werk met tussentijdse ijkpunten. Niet "ik bereid me voor tot juli" maar "eind maart wil ik dit onderdeel af hebben en een oefenexamen boven die score halen". Zonder tussentijdse resultaten is er maandenlang geen enkel signaal dat je vooruitgaat, en dat is voor niemand vol te houden.

Hou iets naast de voorbereiding. Sport, een job, vrienden, wat dan ook. Een jaar waarin alles op één datum staat, maakt die datum onhanteerbaar groot, en het maakt een tegenvaller ook zwaarder dan hij hoeft te zijn.

Nog iets praktisch: spreek vooraf af, met jezelf of met je ouders, wat er gebeurt als het niet lukt. Dat klinkt defaitistisch en het werkt omgekeerd. Wie weet dat er een plan B is, presteert op de dag zelf meestal beter, omdat er minder aan die ene uitslag hangt.

En verwacht een dip. Bij een lange voorbereiding komt er ergens een periode waarin het niet meer vooruit lijkt te gaan. Dat is normaal en het is geen signaal om te stoppen; het is meestal een signaal om een week iets anders te doen.

Als het niet lukt

Dat gebeurt, en het zegt iets over die dag en niet over wat je kan worden.

Een tweede poging is zinvol als je gericht kan aanwijzen waar de punten weglekten. Dat aanwijzen is de eerste stap en niet opnieuw alles doornemen, want dat is precies wat de eerste keer al niet volstond.

En er zijn bijna altijd andere wegen naar hetzelfde vakgebied. Wat er in jouw geval mogelijk is, vraag je na bij de instellingen zelf.

De aanpak van de weken na een tegenvallende uitslag staat in niet geslaagd voor het toelatingsexamen. En voor het oefenen in de vorm waarin je getest wordt, wat hier het hele spel is, staat er meer in oude examens gebruiken.

Veelgestelde vragen

Hoe verschilt een toelatingsexamen van een schoolexamen?

Een schoolexamen test of je de leerstof beheerst; een selectie-examen sorteert kandidaten en gebruikt daarvoor tempo, vraagvorm en breedte. Dat betekent dat je met dezelfde kennis kan zakken door te traag te werken of door het vraagformaat niet te kennen, en precies daar zit de meeste winst.

Wanneer begin je met voorbereiden?

Vroeger dan de meesten doen, en niet met de bedoeling om alles te kennen. Reken op maanden en niet op weken, en verdeel de tijd: eerst de kennis waar gaten zitten, dan het vraagformaat, dan tempo onder examenomstandigheden. Die laatste fase wordt het vaakst overgeslagen.

Moet ik een cursus of begeleiding volgen?

Het kan helpen en het is geen voorwaarde. Wat een goede begeleiding vooral doet, is structuur geven en je zwakke plekken aanwijzen. Als je die twee zelf kan organiseren en er discipline is, kom je met officieel oefenmateriaal ook ver. Kijk vooral naar wat er per traject concreet geoefend wordt.

Hoe oefen je op tempo?

Door volledige oefenexamens te maken met een klok, in één zit, zonder pauzes en zonder iets op te zoeken. Losse oefeningen zonder tijdslimiet trainen iets anders. Wie pas op de dag zelf voor het eerst onder tijdsdruk werkt, ontdekt daar dat hij te traag is.

Wat als het niet lukt?

Dan is dat informatie over die dag en niet over wat je kan worden. Er zijn bijna altijd andere wegen naar hetzelfde vakgebied, en een tweede poging is zinvol als je gericht kan aanwijzen waar de punten weglekten. Dat aanwijzen is de eerste stap, niet opnieuw alles doornemen.