Terug naar de blog
TOStaalontwikkelingsstoornisouderssecundair onderwijslogopedieVlaanderen

TOS op school: als taal het gereedschap is dat hapert

Louis Vanhove7 min lezen

Er is een groep leerlingen bij wie het probleem niet in de leerstof zit en niet in de motivatie, maar in het gereedschap waarmee alle leerstof geleverd wordt.

Bij een taalontwikkelingsstoornis hapert dat gereedschap. En omdat vrijwel alles op school via taal loopt, raakt dat elk vak.

Wat het is, en wat het niet is

Een taalontwikkelingsstoornis, meestal afgekort tot TOS, is een aanhoudende moeite met het verwerken of produceren van taal, die niet verklaard wordt door het gehoor, door intelligentie of door een andere aandoening.

Het is niet hetzelfde als anderstalig zijn. Een kind dat thuis een andere taal spreekt, bouwt het Nederlands op zoals elke tweede taal, in een voorspelbaar tempo. Bij TOS hapert de taalontwikkeling in élke taal, ook in de thuistaal, en dat is precies het onderscheid dat een logopedist maakt.

Het is ook niet hetzelfde als verlegen zijn of weinig zeggen. Sommige kinderen met TOS praten juist veel, alleen loopt de zinsbouw of de woordvinding vast.

De diagnose en de begeleiding lopen via logopedie. Het CLB of de huisarts is de eerste stap, en het is de moeite om die vroeg te zetten, want trajecten duren.

Waarom het overal opduikt

De keten is telkens dezelfde.

Instructie komt binnen als taal. Wie taal trager verwerkt, mist een deel van wat er gezegd wordt, of komt het een halve zin later pas binnen terwijl de leerkracht al verder is.

Dat betekent dat een leerling met TOS bij elk vak met minder informatie begint dan de rest. Niet omdat hij minder oplet, maar omdat er onderweg iets wegviel.

En het loopt door naar wat er van hem gevraagd wordt: een antwoord formuleren, een uitleg geven, een redenering opschrijven. Wie de kennis heeft en ze niet in woorden krijgt, scoort lager dan iemand die minder weet en het vlot verwoordt.

Per vak ziet het er anders uit

Wiskunde. Het rekenen gaat vaak prima; de vraagstukken niet. Een vraagstuk is een tekst waarin de gegevens verstopt zitten, en dat is precies het moeilijkste stuk. De aanpak die daarbij helpt, staat in wiskundige vraagstukken aanpakken, en ze werkt hier extra goed omdat ze de tekst systematisch uit elkaar haalt.

Talen. Voor de hand liggend en toch anders dan verwacht: het probleem zit vaker in de structuur dan in de woordenschat. Een tweede taal leren met een haperende eerste taal is zwaarder, en dat is een reëel argument om met de school te bespreken hoeveel talen er in het pakket zitten.

Wetenschappen. Practicumvoorschriften zijn reeksen instructies, en die vallen half weg als ze mondeling gegeven worden. Op papier, genummerd, lost dat grotendeels op.

Zaakvakken. Veel tekst en veel nieuwe termen tegelijk. Hier helpt vooraf werken: de begrippen van een hoofdstuk kennen voor je aan het hoofdstuk begint, in plaats van erna.

De aanpassingen die het meest opleveren

Instructies kort, in stappen, en niet alleen mondeling. Dit is de grootste hefboom en het is een kleine moeite. Een opdracht in één lange zin valt half weg; dezelfde opdracht in drie korte zinnen op papier komt wel aan.

Laten terugzeggen wat de opdracht is. Niet als controle maar als check. Wat er terugkomt, is wat er aangekomen is, en het verschil met wat bedoeld werd, is meestal het echte probleem.

Extra tijd. Voor lezen en voor het formuleren van antwoorden.

Mondeling waar dat mogelijk is, of juist schriftelijk. Dat verschilt per kind: bij sommigen zit de moeite vooral in de productie, bij anderen in het verwerken. Probeer beide en kijk waar het verschil zit.

Woordenlijsten vooraf. Per hoofdstuk de nieuwe termen, voor de leerstof begint.

Visuele ondersteuning. Schema's, pijlen, tijdlijnen. Wat je kan tonen in plaats van uitleggen, komt betrouwbaarder aan.

Wat er formeel bestaat en hoe je het vraagt, staat in STICORDI, REDICODIS en redelijke aanpassingen, en er is niet altijd een afgerond onderzoek nodig voor een school iets kan doen.

Wat thuis helpt

Geef één instructie tegelijk. Dat klinkt basaal en het is het meest praktische advies dat er is. Drie dingen tegelijk vragen levert er meestal één op, en dat leest als niet luisteren.

Geef tijd om te antwoorden. De stilte na een vraag is bij TOS vaak verwerkingstijd en geen aarzeling. Wie de stilte invult met een hint of met de vraag opnieuw, begint het proces opnieuw.

Vul niet aan. De verleiding is groot om het woord te geven waar iemand naar zoekt. Dat is vriendelijk bedoeld en het ontneemt de oefening.

Lees samen, en vraag door op wat er stond. Niet om te overhoren maar om te merken waar iets anders binnenkwam dan er stond.

En bespreek met de school wat er in de klas gebeurt. Dat is informatie die je thuis niet hebt, en bij TOS is het verschil tussen de thuissituatie en de klas vaak groot: thuis is er tijd en één gesprekspartner, in een klas geen van beide.

Wat er sociaal meespeelt

Dit wordt vaak onderschat en het weegt bij veel kinderen zwaarder dan de punten.

Een gesprek in een groep gaat snel. Wie een halve tel meer nodig heeft om te formuleren, komt er niet tussen, en dat is op de speelplaats net zo goed waar als in de klas.

Dat leidt bij een deel van deze kinderen tot terugtrekken, en dat wordt dan gelezen als verlegenheid of desinteresse. Het is geen van beide: het is de rationele keuze van iemand voor wie meepraten meer kost dan het oplevert.

Wat helpt: contexten waarin het tempo lager ligt. Kleinere groepen, één op één, of een activiteit waarbij het samen doen belangrijker is dan het samen praten.

Als er ook een andere thuistaal is

Bij een deel van de gezinnen speelt allebei: er wordt thuis een andere taal gesproken én er zijn zorgen over de taalontwikkeling. Dat is de lastigste situatie om uit elkaar te halen, en het gebeurt te vaak niet.

Wat er dan meestal gebeurt: de moeite met Nederlands wordt volledig verklaard door de thuistaal, en er wordt afgewacht. Soms is dat terecht en soms verdwijnt daarmee jaren van begeleiding.

Het onderscheid is in principe eenvoudig: bij een tweede taal die nog in opbouw is, verloopt de thuistaal normaal. Bij TOS hapert het in beide talen. Een logopedist kan dat onderzoeken, en waar mogelijk gebeurt dat ook in de thuistaal.

Vraag daar expliciet naar als het bij jullie speelt. En laat je niet ontmoedigen door de gedachte dat meertaligheid het probleem zou zijn: meertalig opgroeien veroorzaakt geen taalstoornis, en thuis overschakelen op het Nederlands is voor een kind met TOS meestal juist ongunstig, omdat het de taal wegneemt waarin het zich het best uitdrukt.

Waar bijles wel en niet past

Bijles is geen logopedie en het is geen behandeling. Voor het taaldeel zelf is een logopedist het adres.

Waar begeleiding praktisch iets doet, is op twee punten.

Het eerste is de inhoud: de achterstand die ontstond doordat er informatie gemist werd in de klas. Dat is gewone leerstof, en die haal je op de gewone manier in.

Het tweede is de vertaalslag. Leren hoe je een vraag uit elkaar haalt, hoe je een instructie in stappen zet, en hoe je een antwoord opbouwt. Dat is aanleerbaar en het wordt zelden ergens aangeleerd.

Eén op één werkt hier aanzienlijk beter dan een klas, en niet vanwege de aandacht maar vanwege het tempo: er kan doorgevraagd worden, er is tijd om te formuleren, en er is niemand die het antwoord invult.

Tot slot

Wat ik ouders zou meegeven: als je kind de leerstof begrijpt wanneer jij het uitlegt en niet wanneer de leerkracht het uitlegt, is dat geen kwestie van oplettendheid.

Het is meestal een verschil in tempo en in aantal woorden. En dat is iets waar concreet iets aan te doen valt, in de klas en thuis, ook voordat er een diagnose ligt.

Speelt er daarnaast moeite met lezen zelf, dan is dyslexie in het secundair nuttig ernaast te leggen, want de twee komen vaak samen voor. En is de moeilijkheid vooral het vasthouden van meerdere stappen tegelijk, dan is werkgeheugen de betere ingang.

Veelgestelde vragen

Wat is een taalontwikkelingsstoornis?

Een aanhoudende moeite met het verwerken of produceren van taal, die niet verklaard wordt door gehoor, intelligentie of een andere aandoening. Het gaat niet over anderstalig zijn en ook niet over verlegen zijn. De diagnose en de begeleiding lopen via logopedie, en het CLB of de huisarts is de eerste stap.

Waarom raakt dit ook wiskunde en wetenschappen?

Omdat vrijwel alle instructie via taal loopt. Een vraagstuk is een tekst, een practicumvoorschrift is een reeks instructies, en een examenvraag is een zin die precies gelezen moet worden. Wie taal trager verwerkt, verliest bij elk vak tijd en informatie, ook bij vakken die op het eerste gezicht niets met taal te maken hebben.

Wat helpt het meest in de klas?

Instructies kort, in stappen, en schriftelijk of visueel naast het mondelinge. Een opdracht die in één lange zin gegeven wordt, valt half weg; dezelfde opdracht in drie korte zinnen op papier komt wel aan. Dat is een kleine aanpassing met een groot effect.

Is het hetzelfde als anderstalig zijn?

Nee, en dat onderscheid wordt vaak gemist. Een kind dat thuis een andere taal spreekt, bouwt het Nederlands op zoals elke tweede taal. Bij TOS hapert de taalontwikkeling in élke taal, ook de thuistaal. Als beide meespelen, is dat de moeite om expliciet uit te zoeken via logopedie.

Helpt bijles bij TOS, naast logopedie?

Voor de leerstof wel, en het vervangt geen logopedie. Waar het praktisch iets doet: de instructies vertalen naar iets hanteerbaars, en de achterstand inhalen die ontstond doordat er informatie gemist werd. Eén op één werkt daarbij aanzienlijk beter dan een klas, want er kan doorgevraagd worden.