Terug naar de blog
oudercontactouderssecundair onderwijsschoolrapportVlaanderen

Oudercontact voorbereiden: de vragen die iets opleveren

Louis Vanhove7 min lezen

Een oudercontact duurt vaak tien minuten. Je zit tegenover iemand die je kind een paar uur per week ziet, je krijgt een korte samenvatting van wat je op het rapport al las, en je loopt buiten met ongeveer evenveel informatie als waarmee je binnenkwam.

Dat ligt zelden aan de leerkracht. Het ligt meestal aan de vragen.

Bereid twee vragen voor, niet tien

Met tien minuten en een rij achter je, is een lijst van tien vragen een garantie dat je er twee stelt en acht vergeet.

Kies er dus twee. De twee die je écht wil weten, opgeschreven, en meteen aan het begin gesteld. Niet aan het eind, want dan is de tijd op.

Wat het meest oplevert, hangt af van waar je zit. Gaat het goed, dan is de vraag meestal wat er nog beter kan of hoe je kind zich voelt in de klas. Gaat het niet goed, dan is de vraag concreter: waar precies loopt het vast, en wat ziet u gebeuren.

Vraag naar waarnemingen, niet naar oordelen

Dit is het verschil tussen een gesprek dat iets oplevert en een gesprek dat beleefd is.

"Hoe gaat het met hem?" is een vraag om een oordeel. Het antwoord is meestal een samenvatting van het rapport, en dat had je al.

"Wat ziet u hem doen als hij vastloopt?" is een vraag om een waarneming. Het antwoord is bruikbaar: hij begint niet, of hij vraagt nooit iets, of hij is de eerste tien minuten mee en haakt daarna af.

Een paar vragen die in dat register zitten en die bijna altijd iets opleveren:

Waar in de les haakt hij af, en op welk moment? Stelt hij vragen als iets niet lukt? Hoe zit hij erbij tijdens een oefening: begint hij meteen of blijft hij zitten? Wat lukt er wél goed, en waar merkt u dat aan? Hoe gaat het met de anderen in de klas, zodat ik weet of dit typisch is?

Die laatste is nuttiger dan hij lijkt. Als de helft van de klas op hetzelfde hoofdstuk vastloopt, is dat een ander gesprek dan wanneer alleen jouw kind vastloopt.

Kijk vooraf naar het rapport met een specifieke vraag

Ga niet naar het rapport kijken om te zien of het goed of slecht is. Kijk ernaar om te bepalen wat je gaat vragen.

Twee dingen om op te letten.

Het patroon over de tijd. Een vak dat van een acht naar een zes zakte, is iets anders dan een vak dat altijd een zes was. Het eerste is een verandering en heeft een oorzaak, het tweede is een niveau.

Het patroon over de vakken. Zakt het overal een beetje, of één vak hard? Overal een beetje wijst meestal op iets algemeens: studiemethode, planning, of iets buiten school. Eén vak hard wijst op een gat in dat vak.

Met die observatie kan je een gerichte vraag stellen in plaats van een algemene, en dat verandert het gesprek meteen.

Neem je kind mee, vanaf een bepaalde leeftijd

In het lager onderwijs gebeurt het gesprek vaak zonder het kind, en dat is meestal prima.

Vanaf de tweede graad zou ik hem meenemen, tenzij er iets besproken moet worden dat niet in zijn bijzijn kan. Twee redenen.

Hij is degene die iets moet veranderen. Afspraken die over hem gemaakt worden terwijl hij in de gang staat, worden zijn afspraken niet.

En je krijgt te horen wat de leerkracht in zijn bijzijn zegt, wat vaak eerlijker en concreter is dan wat er later thuis van overblijft. Kinderen brengen een gesprek over zichzelf zelden neutraal over, en dat is geen kwaad opzet.

Het gesprek verschilt per graad

Wat nuttig is om te vragen, verschuift met de leeftijd, en veel ouders blijven het gesprek voeren dat twee jaar geleden paste.

Lager onderwijs en eerste graad. Hier gaat het vooral over of de basis meekan en of je kind zich goed voelt. Vraag naar werkhouding en naar de sociale kant, want die twee bepalen op deze leeftijd het meeste. Concreet: begint hij aan een taak, en met wie werkt hij samen?

Tweede graad. Nu wordt zelfstandigheid het onderwerp. De vraag is niet meer of hij het kan maar of hij het zelf organiseert. Vraag naar langetermijntaken: levert hij op tijd, of altijd op het nippertje? Dat is de vaardigheid die in de derde graad en daarna gaat tellen.

Derde graad. Hier zou het gesprek voor een groot deel over hem moeten gaan in plaats van over jou. Studiekeuze, wat hij zelf ziet zitten, en of zijn manier van werken hem gaat dragen in het hoger onderwijs. Een leerkracht die veel oud-leerlingen zag vertrekken, heeft daar vaak een bruikbare inschatting over.

Op elke leeftijd geldt: hoe ouder, hoe meer het gesprek een driegesprek hoort te zijn en geen gesprek over een afwezige.

Als je het oneens bent

Dit gebeurt, en de manier waarop je het aanpakt bepaalt of je nog informatie krijgt.

Wat het gesprek sluit: "dat herken ik thuis helemaal niet." Ook al is het waar.

Wat het opent: "thuis zie ik iets anders, waaraan merkt u dat?" Dan vertelt de leerkracht wat hij ziet, en meestal blijkt dan dat jullie allebei iets echts waarnemen in verschillende contexten. Een kind dat thuis vlot uitlegt en in de klas niets zegt, is geen tegenstrijdigheid maar informatie.

Dat verschil is vaak de nuttigste uitkomst van het hele gesprek, want het vertelt je waar het probleem écht zit.

Eindig met één concrete afspraak

De meeste oudercontacten eindigen met goede voornemens die niemand opschrijft.

Eindig liever met één ding dat meetbaar is en waarvan duidelijk is wie het doet. Hij gaat de komende weken bij dat vak zijn oefeningen maken voor de les. Of: u laat het weten als het na de herfstvakantie niet verbeterd is. Of: we spreken elkaar over een maand kort.

Eén afspraak die gebeurt, is meer waard dan vier die vervagen.

Wanneer tien minuten niet volstaat

Sommige gesprekken horen niet in een oudercontact thuis, en het is beter om dat te benoemen dan het te proberen.

Als er sprake is van faalangst, van een vermoeden van een leerstoornis, van iets in de thuissituatie, of van iets sociaals in de klas, vraag dan om een apart gesprek met meer tijd. Vaak kan het CLB daarbij, en dat is precies waarvoor het CLB bestaat.

Een leerkracht in een volle gang met een rij wachtende ouders kan dat gesprek niet voeren, en dat weten jullie allebei. Er vragen naar is geen escalatie, het is gewoon het juiste kanaal kiezen.

Tot slot

Wat ik ouders zou meegeven: je gaat naar een oudercontact voor informatie, niet voor een oordeel. Het cijfer heb je al.

Wat je niet hebt, is wat er in die klas gebeurt op het moment dat het misloopt. Dat is het enige dat de leerkracht heeft en jij niet, en het is precies wat je nodig hebt om thuis iets nuttigs te doen.

Blijkt uit het gesprek dat er een concreet gat in een vak zit, dan staat in wanneer bijles overwegen wat de signalen zijn en waar het wel en niet bij past. Gaat het vooral over planning en werkhouding, dan is huiswerk zonder de avondlijke ruzie nuttiger. En loopt het over meerdere vakken tegelijk, dan is dat meestal methode en geen inhoud: studeren voor een examen.

Loopt het niet om de leerstof maar tussen je kind en een leerkracht, dan werkt een ander gesprek beter, en dat staat in als het botst met een leerkracht. Voor het rapport dat aan zo'n gesprek voorafgaat, en wat er nu echt op staat, is een rapport lezen het nuttigst. En spreek je zelf niet vlot Nederlands, dan verandert dat de voorbereiding: zie als je zelf de taal niet vlot spreekt.

Veelgestelde vragen

Wat vraag je het best op een oudercontact?

Vragen die om waarneming vragen in plaats van om een oordeel. 'Wat ziet u hem doen als hij vastloopt?' levert meer op dan 'hoe gaat het?'. Het eerste geeft je informatie die je thuis kan gebruiken, het tweede levert meestal een samenvatting van het rapport op dat je al gelezen hebt.

Moet mijn kind mee naar het oudercontact?

Vanaf de tweede graad meestal wel, tenzij er iets besproken moet worden dat niet in zijn bijzijn kan. Een gesprek over hem zonder hem, waarvan hij daarna een samenvatting krijgt, werkt zelden. Bovendien is hij degene die iets moet veranderen, en afspraken waar hij bij was, houden beter stand.

Wat doe je als je het niet eens bent met de leerkracht?

Vraag door naar waarnemingen in plaats van meteen tegen te spreken. 'Waaraan merkt u dat?' opent het gesprek, terwijl 'dat herken ik niet' het afsluit. Vaak blijkt dan dat jullie allebei iets echts zien, alleen in verschillende contexten, en dat verschil is zelf de nuttigste informatie.

Hoeveel tijd heb je meestal?

Vaak niet meer dan tien tot vijftien minuten per leerkracht, en soms minder. Dat is precies waarom voorbereiden loont: wie zijn twee belangrijkste vragen op papier heeft, krijgt ze gesteld. Wie improviseert, is de tijd kwijt aan beleefdheden en het rapport doornemen.

Wat als er meer aan de hand lijkt dan schoolwerk?

Zeg dat dan expliciet en vraag om een apart gesprek met meer tijd, eventueel met het CLB erbij. Een oudercontact van tien minuten in een volle gang is niet de plek voor een gesprek over faalangst, thuissituatie of een vermoeden van een leerstoornis, en beide kanten weten dat.