Terug naar de blog
wiskundeeerste graadeerste jaar secundairoudersrekenenVlaanderen

Wiskunde in de eerste graad: waarom het plots niet meer lukt

Louis Vanhove7 min lezen

Het eerste jaar secundair is waar veel ouders voor het eerst schrikken van een wiskundepunt. Het kind haalde in het zesde leerjaar mooie cijfers voor rekenen, en nu staat er plots een zes op het rapport.

Dat is minder vreemd dan het lijkt. Rekenen en wiskunde zijn niet hetzelfde vak, en de overgang tussen die twee zit precies in de eerste graad.

Wat er verandert

In het lager onderwijs draait het grotendeels om correct uitvoeren. Er staat een bewerking, jij voert ze uit, het antwoord klopt of het klopt niet. Kinderen die de procedures goed onthouden, halen daar prima punten mee, ook als ze niet altijd begrijpen waarom een procedure werkt.

In het secundair verandert dat op drie manieren tegelijk.

Er komen letters bij. Een letter is geen getal maar een plaatshouder, en dat is een echte abstractiestap. Voor sommige kinderen klikt dat meteen, voor anderen duurt het maanden.

Er komen negatieve getallen bij, en die breken de intuïtie die in het lager is opgebouwd. Aftrekken maakte iets kleiner, en nu niet meer. Vermenigvuldigen maakte iets groter, en nu niet meer.

En er wordt gevraagd waarom. Niet alleen het antwoord, maar de tussenstappen, en soms de verantwoording. Wie gewend is dat alleen het eindantwoord telt, verliest hier punten op oefeningen die inhoudelijk juist zijn.

De drie gaten die bijna alles verklaren

Als ik bij een leerling in de eerste graad ga zoeken waar het misloopt, kom ik bijna altijd bij één van deze drie uit.

Negatieve getallen. Niet de regels, die kent iedereen na een week. Wel het toepassen ervan in een langere berekening, vooral wanneer er haakjes bij komen. Min maal min is plus, dat weet je kind. Maar wat gebeurt er met het minteken voor een haakje als je dat haakje wegwerkt, dat is een ander verhaal, en het is waar een groot deel van de fouten ontstaat.

Breuken. In het lager waren breuken vooral iets om te herkennen en te vergelijken. Nu moeten ze echt gebruikt worden: optellen met verschillende noemers, vermenigvuldigen, delen. Wie de logica achter een gelijknamige noemer niet ziet, leert een trucje en vergeet dat trucje binnen de maand.

Dit gat is het hardnekkigste van de drie, want breuken komen daarna nooit meer als apart hoofdstuk terug. Ze zitten gewoon in alles: in vergelijkingen, in verhoudingen, in procenten, en later in afgeleiden.

De sprong naar letters. Van 3 + 5 naar 3 + x. Het probleem is zelden de letter zelf, maar wat je ermee mag doen. Waarom kan je 3x en 5x samentellen en 3x en 5y niet? Wie dat als regel leert in plaats van als iets logisch, zit binnen twee hoofdstukken vast.

De test die tien minuten kost

Punten vertellen je te weinig en te laat. Deze test vertelt meer.

Geef je kind een oefening over het onderwerp van deze week, twee dagen nadat het in de les gezien is, zonder cursus of schrift erbij.

Lukt dat zelfstandig, dan is er niets aan de hand, ook als het rapport tegenvalt. Lukt het niet, dan is het onderwerp niet begrepen maar hooguit gevolgd, en dat gaat niet vanzelf over. De volgende hoofdstukken bouwen erop verder.

Doe deze test af en toe, niet elke dag. Elke dag wordt controle, en controle levert een discussie op in plaats van informatie.

Laat je kind hardop denken

Dit is het nuttigste dat een ouder kan doen, ook als je zelf de leerstof niet meer kent.

Vraag niet of het antwoord juist is. Vraag hoe hij eraan begint. Laat hem vertellen wat hij doet terwijl hij het doet.

Twee dingen gebeuren er dan. Jij hoort waar de redenering een bocht neemt die niet klopt, ook zonder dat je zelf weet wat het juiste antwoord is. En je kind merkt zelf waar het vaag wordt, want uitleggen is een strengere test dan denken.

Dat is trouwens ook precies wat een goede bijlesgever doet. Toen ik zelf wiskundebijles nodig had in 2020, legde mijn bijlesgever niet uit. Hij liet me werken, luisterde, en zocht waar mijn denken misging. Die aanpak heb ik overgenomen en het is nog steeds het enige dat echt werkt.

Wat je beter niet doet

Een paar dingen die goed bedoeld zijn en averechts werken.

Meer oefeningen op een niet-begrepen onderwerp. Dat levert geoefende fouten op. Als iets niet begrepen is, is de vraag niet hoeveel maar wat er ontbreekt.

Het voordoen. Als jij de oefening maakt terwijl je kind kijkt, ziet hij een vloeiende oplossing en denkt hij dat hij het snapt. Op de toets staat hij alleen. Laat hem de pen vasthouden, ook als het traag gaat.

Wachten op het rapport. Het rapport is een achterstandsmelding, geen waarschuwing. Tegen de tijd dat het er staat, is er meestal al een paar hoofdstukken op het gat gebouwd.

Zeggen dat jij ook slecht was in wiskunde. Het is bedoeld als troost en het komt aan als toestemming om op te geven. Wiskunde is een van de vakken waar het idee dat je er "gewoon niet goed in bent" het meest voorkomt en het minst klopt.

De rekenmachine is niet altijd je vriend

Een klein punt dat verrassend veel verschil maakt in de eerste graad.

In het lager onderwijs is er veel hoofdrekenen. In het secundair mag er vaak een rekenmachine bij, en veel leerlingen schakelen dan volledig over. Dat is begrijpelijk en het heeft een prijs.

Wie 7 maal 8 niet meer automatisch weet, verliest bij elke oefening een paar seconden en een beetje aandacht. Op één oefening merk je dat niet. Op een toets van vijftien oefeningen is het het verschil tussen afkrijgen en niet afkrijgen, en het is ook de reden dat sommige leerlingen op toetsen slechter presteren dan thuis.

Belangrijker nog: wie de tafels en de eenvoudige bewerkingen niet paraat heeft, kan geen inschatting maken. Een leerling met gevoel voor getallen ziet meteen dat een antwoord van 340 niet kan kloppen als het rond de 30 zou moeten liggen. Die controle valt weg zodra alles uit een toestel komt.

Praktisch: laat de eenvoudige bewerkingen zonder machine doen, ook wanneer ze toegestaan is. Niet uit principe, maar omdat het hoofdrekenen het gereedschap is waarmee je je eigen fouten opmerkt.

Als het aan het tempo ligt en niet aan het begrip

Soms is er geen gat en gaat het gewoon te snel. Dat komt vaker voor in de eerste graad dan later, omdat de aanpassing aan het secundair op alle fronten tegelijk gebeurt: meerdere leerkrachten, meer vakken, taken op langere termijn, en een schooldag die langer duurt.

Dan is de oplossing niet meer wiskunde maar meer structuur. Een vast moment voor huiswerk, een agenda die vooruit bekeken wordt, en genoeg slaap. Dat klinkt saai en het lost een verrassend deel van de eerstejaarsproblemen op.

Meer daarover staat in huiswerk zonder de avondlijke ruzie.

Wanneer je iemand erbij haalt

De eerste graad is het goedkoopste moment om een gat te dichten, en dat is geen verkooppraatje maar rekenwerk. Negatieve getallen repareren in het eerste jaar kost een paar lessen. Datzelfde gat in het vierde jaar, met vergelijkingen, functies en stelsels erbovenop, kost veel meer, want je repareert dan ook alles wat er intussen op gebouwd is.

Het signaal is niet een slecht rapport. Het is dat je kind een oefening niet zelfstandig kan maken twee dagen na de les.

En het hoeft meestal geen lang traject te zijn. Voor een specifiek gat volstaan vaak twee of drie sessies. Onze docenten geven bijles wiskunde vanaf het eerste jaar secundair, en er staat een overzicht van wat het kost in bijles tarieven.

Twijfel je of het al zover is, dan staan de signalen op een rij in wanneer bijles overwegen. En loopt het vooral vast op zelfvertrouwen in plaats van op leerstof, dan is beter worden in wiskunde waarschijnlijk het nuttigste om samen te lezen.

In hetzelfde jaar begint natuurwetenschappen, en dat vak loopt bij een deel van de leerlingen om dezelfde reden stroef: het veronderstelt rekenvaardigheid die er nog niet is. Wat daar verandert, staat in natuurwetenschappen in de eerste graad.

Veelgestelde vragen

Mijn kind had altijd goede punten voor rekenen. Waarom lukt wiskunde nu niet?

Omdat rekenen en wiskunde niet hetzelfde zijn. In het lager onderwijs draait het vooral om correct uitvoeren van bewerkingen met concrete getallen. In het secundair komen er letters bij, negatieve getallen, en de vraag waarom iets klopt. Kinderen die konden rekenen zonder echt te begrijpen waarom, lopen daar als eerste vast.

Wat zijn de belangrijkste struikelblokken in het eerste jaar?

In de praktijk drie: negatieve getallen, breuken die nu echt gebruikt moeten worden in plaats van herkend, en de overgang naar letters in plaats van getallen. Bijna elk probleem later in het secundair is naar één van die drie terug te voeren.

Hoe merk ik of het echt misgaat of gewoon wennen is?

Kijk niet naar de punten maar naar zelfstandigheid. Kan je kind een oefening maken zonder hulp, twee dagen nadat het onderwerp gezien is? Zo ja, dan is het wennen. Zo nee, dan is er een gat, en dat gaat niet vanzelf weg omdat de volgende hoofdstukken erop verder bouwen.

Moet ik als ouder mee de oefeningen maken?

Beter niet mee oplossen. Wat wel helpt, is je kind laten uitleggen hoe het denkt terwijl het bezig is. Dan hoor je waar de redenering afslaat, ook als je zelf de leerstof niet meer kent. Uitleggen aan iemand anders is bovendien een van de betere manieren om te merken dat je iets niet begrijpt.

Is bijles in het eerste jaar niet wat vroeg?

Meestal is het net het goedkoopste moment. Een gat in negatieve getallen kost in het eerste jaar twee lessen. Datzelfde gat in het vierde jaar, met alles wat er intussen op gebouwd is, kost er veel meer. Vroeg reageren is hier geen overdreven bezorgdheid maar gewoon efficiënter.