Ouders vragen mij dit vaak, en meestal met enige wanhoop: het gaat duidelijk niet goed op school, ik heb hulp geregeld, en hij wil niet.
Wat ik daarover geleerd heb, is dat de weerstand bijna nooit over de bijles gaat. Ze gaat over wat de bijles betekent.
Wat er meestal onder zit
Vier dingen, en het loont om te weten welke het is, want ze vragen een ander antwoord.
Toegeven dat het niet lukt. Dit is veruit het vaakst. Voor een tiener is hulp aannemen een bekentenis: er is iets mis met mij. Zolang hij het weigert, is het nog een keuze om niet te werken, en een keuze voelt beter dan een tekort. Dat is geen onwil maar zelfbescherming.
Nog meer school. Zeven uur les, huiswerk, en dan nog een uur extra. Vanuit zijn positie is dat gewoon meer van hetzelfde, en het is niet onredelijk dat hij daar geen zin in heeft.
Het is jouw plan. Wie niet mee beslist heeft, verdedigt zijn autonomie. Dat is bij tieners een normale ontwikkeling, geen karakterprobleem. Hetzelfde voorstel dat hij mee mocht bepalen, krijgt vaak wel een ja.
Hij heeft het al geprobeerd. Als er eerder bijles was die niets opleverde, of een bijlesgever waar hij zich onprettig bij voelde, dan is de weerstand een ervaring en geen houding.
De eerste vraag is dus niet hoe je hem overtuigt. Ze is welke van die vier het is, en dat kom je alleen te weten door te vragen zonder er meteen iets tegenin te brengen.
Maak het klein en tijdelijk
Dit is de aanpak die in de praktijk het vaakst werkt, en ze is bijna te simpel om te geloven.
Vraag niet of hij bijles wil. Vraag of hij één keer met iemand wil kijken naar dat ene ding dat niet lukt.
Eén les. Eén onderwerp. Daarna beslissen jullie samen of er nog een komt.
Waarom werkt dat? Omdat het geen oordeel over hem is maar een oplossing voor een probleem. Omdat het eindig is, dus hij verliest zijn autonomie niet. En omdat één les weigeren onredelijker voelt dan een heel traject weigeren.
Laat hem ook meekiezen wie het wordt. Dat lijkt een detail en het is het niet: iemand die je zelf gekozen hebt, is iemand tegen wie je durft te zeggen dat je iets niet snapt.
Laat het over de leerstof gaan, niet over hem
Er zit een verschil tussen deze twee zinnen dat groter is dan het lijkt.
"Ik denk dat je hulp nodig hebt met wiskunde."
"Er zat iets in dat hoofdstuk over vergelijkingen dat nooit goed uitgelegd is. Ik denk dat iemand daar in een uur doorheen kan."
De eerste gaat over hem. De tweede gaat over de leerstof. Bij de tweede is er niets toe te geven, want het probleem ligt bij een hoofdstuk en niet bij een persoon.
Dat is trouwens meestal ook gewoon waar. In vier jaar tutoring is het patroon dat ik het vaakst zie: een leerling die zichzelf slecht vindt in een vak, terwijl er ergens een concreet ding zit dat nooit is gaan zitten en waar sindsdien alles op gebouwd is. Zodra iemand dat aanwijst, verandert het gesprek.
Wat je beter niet doet
Dreigen met gevolgen. Als je nu geen bijles neemt, blijf je zitten. Dat kan waar zijn en het maakt de bijles tot een straf. Wat je dan koopt is aanwezigheid, en aanwezigheid levert niets op als hij zich afsluit.
Erover blijven beginnen. Elke dag opnieuw het onderwerp aansnijden, maakt het tot een strijd waarin toegeven verliezen wordt. Zeg het één keer goed, laat het even liggen, en kom er later op terug met iets concreets.
Het als bewijs gebruiken. Zie je wel dat het niet lukt. Dat is misschien terecht en het is de zekerste manier om de deur dicht te doen.
Aankondigen dat je het toch regelt. Dan is het gesprek voorbij voor het begonnen is, en heb je een leerling die tijdens de les zijn armen kruist.
Het gesprek zelf
Wanneer je het aankaart, telt bijna evenveel als wat je zegt.
Niet vlak na een slecht rapport, want dan is het een gevolg van het rapport en voelt het als een sanctie. Niet tijdens een ruzie over huiswerk, om dezelfde reden. Liever op een neutraal moment waarop er niets aan de hand is, in de auto of tijdens het afruimen, waar er geen oogcontact hoeft te zijn.
Begin met een vraag en niet met een voorstel. Wat is het precies dat niet lukt bij dat vak? Niet: waarom haal je zulke punten. De eerste vraag levert informatie op, de tweede levert een verdediging op.
Luister dan naar wat er komt zonder er meteen een oplossing tegenaan te gooien. Dat is het moeilijkste deel voor ouders, want je hebt de oplossing al klaarliggen. Maar een kind dat merkt dat je alleen wachtte op je beurt, vertelt de volgende keer minder.
En als je uiteindelijk je voorstel doet, doe het dan klein: één keer, één onderwerp, daarna samen beslissen. Als het antwoord nee is, laat het dan even liggen. Een nee die je respecteert, wordt vaker een ja dan een nee die je overrulet.
Als het echt niet over de leerstof gaat
Soms is de weerstand terecht, in de zin dat bijles niet het juiste antwoord is.
Als je kind de leerstof kan maar structureel niet wil, dan is er iets anders aan de hand: een richting die niet past, iets sociaals op school, of iets dat niets met school te maken heeft. Een extra uur wiskunde verandert daar niets aan, en hij weet dat waarschijnlijk beter dan jij.
Als er faalangst speelt, dan is het CLB of een psycholoog het eerste adres. Bijles kan daarnaast zekerheid geven, en zekerheid helpt tegen faalangst, maar ze behandelt het niet.
En als er signalen zijn van een leerstoornis, dan is een onderzoek de eerste stap. Meer oefenen op een niet-gediagnosticeerd probleem is frustrerend voor iedereen, en de weerstand van je kind is dan een redelijke reactie op iets dat niet werkt.
Meer over welke gevallen wel en niet bij bijles horen, staat in wanneer bijles overwegen.
Waarom online soms makkelijker ligt
Voor tieners is er een praktisch argument dat verrassend vaak de doorslag geeft: er komt niemand thuis, niemand op school hoeft het te weten, en het past tussen andere dingen.
Dat klinkt oppervlakkig. Voor een vijftienjarige is het dat niet. Een deel van de weerstand is sociaal, en alles wat die kant wegneemt, verlaagt de drempel echt.
Voor jonge kinderen ligt het anders. Ik denk dat kinderen van pakweg drie tot acht beter af zijn met iemand fysiek in dezelfde ruimte, omdat ze op die leeftijd nog een aanwezige volwassene nodig hebben om goed te kunnen focussen. Dat is een segment waarvan ik gewoon eerlijk zeg dat online niet de beste vorm is.
En als hij het na één les nog steeds niet wil
Dan is dat een antwoord, en het is de moeite om het te respecteren.
Vraag wel door naar wat er niet werkte. Lag het aan de persoon, aan het tijdstip, aan het gevoel dat het toch niets uithaalde? Bij een klik die niet klopte, is wisselen van bijlesgever de logische stap en geen falen. Bij het gevoel dat het niets uithaalde, is de vraag of er wel gediagnosticeerd is of alleen uitgelegd.
Een goede eerste les levert namelijk iets concreets op: niet "hij moet meer oefenen", maar "hij kan wel afleiden maar ziet niet wanneer hij de kettingregel nodig heeft". Als dat er niet uitkwam, is er niet gevonden waar het misloopt, en dan is de weerstand van je kind eigenlijk gewoon terecht.
Waar je op let bij het kiezen, staat in een goede online bijlesdocent kiezen. En als de spanning vooral thuis zit, rond huiswerk en avonden, dan is dat een apart probleem met een eigen aanpak: huiswerk zonder de avondlijke ruzie.