Terug naar de blog
geschiedenisstudiemethodesecundair onderwijsexamenszaakvakkenVlaanderen

Geschiedenis studeren: waarom jaartallen blokken niet werkt

Louis Vanhove7 min lezen

Geschiedenis is het vak waar de klacht van ouders het vaakst luidt dat hun kind er wel tijd in steekt. En meestal klopt dat gewoon.

Het is ook het vak waar tijd het slechtst omgezet wordt in punten, en de reden is de vorm. Geschiedenis is veel tekst, en tekst nodigt uit om gelezen te worden. Je leest een hoofdstuk, je begrijpt elke zin, en je hebt het gevoel dat het binnenkomt.

Dat gevoel zegt bijna niets over of je het over drie dagen nog kan reproduceren.

Herkennen is niet kennen

Dit is de kern, en het is een oncomfortabele test.

Sla je cursus dicht. Neem een blad. Schrijf op wat er in het hoofdstuk stond over, zeg, de industriële revolutie. Van begin tot eind, zonder ergens te kijken.

Wat je opschrijft, ken je. De rest herkende je alleen.

Bijna iedereen schrikt de eerste keer, en dat is precies de informatie die je nodig hebt. Je wil dat inzicht nu hebben en niet op het examen. Doe die test één keer per hoofdstuk, aan het begin van je studeerperiode. Ze kost je een halve dag en ze bepaalt waar de rest van je tijd naartoe gaat.

Een examen test drie verschillende dingen

Leerlingen studeren geschiedenis op één manier en worden op drie manieren getest. Dat verklaart een groot deel van de teleurstelling.

Kennisvragen. Wie, wat, wanneer, welk begrip. Dit is het deel waar iedereen zich op voorbereidt, en het levert meestal de minste punten op.

Verklaringsvragen. Waarom gebeurde dit, wat waren de gevolgen, waarom net op dat moment. Hier zit het zwaartepunt. En het vraagt iets anders dan onthouden: je moet een keten kunnen doorlopen.

Bronvragen. Een tekst, een kaart, een spotprent, een grafiek. Wat zegt deze bron, wie maakte hem, met welk doel, en hoe betrouwbaar is dat. Dit onderdeel wordt zowat nooit geoefend en het is redelijk voorspelbaar van vorm.

Kijk je oude toetsen erop na. Tel hoeveel punten er per soort te verdienen waren. Dat vertelt je meteen waar je studeertijd naartoe zou moeten.

Studeer in ketens, niet in lijsten

Als er één praktische omslag is die geschiedenis makkelijker maakt, is het deze.

Een lijst oorzaken van de Eerste Wereldoorlog is een lijst. Ze is saai om te onthouden, ze zakt weg, en ze levert je op een verklaringsvraag weinig op.

Dezelfde inhoud als keten is iets anders. Er ontstaat een bondgenootschappenstelsel, dat maakt van een lokaal conflict een Europees conflict, de bewapeningswedloop maakt escalatie sneller, en de mobilisatieplannen maken terugkrabbelen bijna onmogelijk zodra je begonnen bent. Dat is geen lijst maar een verhaal met een innerlijke logica.

Ketens hebben twee voordelen. Ze zijn makkelijker te onthouden, want elke stap roept de volgende op. En ze zijn precies het antwoord op een verklaringsvraag, dus je hoeft ze niet om te bouwen op het examen.

Praktisch: teken per hoofdstuk twee of drie ketens uit met pijlen op papier. Niet als samenvatting, maar als de structuur van het hoofdstuk. Als je het hoofdstuk kan navertellen langs die pijlen, ken je het.

De tijdlijn is je geheugensteun, geen leerstof

Jaartallen blokken is de minst rendabele manier om aan geschiedenis te beginnen, en het is waar de meeste leerlingen wel beginnen.

Wat wel werkt: kies een handvol ankerpunten per periode. Niet dertig data, maar vijf. Aan die ankers hang je de rest op, en dan hoef je van een gebeurtenis alleen te weten of ze voor of na een anker viel.

Dat is genoeg voor bijna elke vraag. Chronologie is zelden een doel op zich in een examenvraag, ze is een middel om te tonen dat je begrijpt wat waaruit volgde.

En een tijdlijn tekenen helpt hier echt, want geschiedenis heeft een ruimtelijke component die in een tekst verdwijnt. Twee dingen die tegelijk gebeurden in verschillende landen, zie je op een tijdlijn en lees je niet in een cursus.

Bronvragen zijn de goedkoopste punten

Dit onderdeel is grotendeels aan te leren als vaardigheid, los van de leerstof, en bijna niemand doet dat.

Bij elke bron stel je dezelfde vier vragen. Wie maakte dit? Wanneer, en wat was er toen aan de hand? Voor wie was het bedoeld? En met welk doel: informeren, overtuigen, bespotten, verantwoorden?

Die laatste vraag is meestal waar de punten zitten. Een spotprent uit 1938 is geen neutrale weergave van de feiten, ze is een standpunt, en dat benoemen is het antwoord.

Let ook op het onderscheid tussen wat een bron zegt en wat je eruit mag afleiden. Een dagboek uit een loopgraaf vertelt je betrouwbaar hoe die ene soldaat het beleefde. Het vertelt je niet betrouwbaar hoe het hele leger erover dacht. Dat onderscheid maken levert bijna altijd punten op.

Oefen dit met drie of vier bronnen per week, los van je gewone studeerwerk. Het is een kwartier en de vaardigheid blijft.

Wat je met de tekst zelf doet

Een paar concrete dingen die het verschil maken tussen lezen en studeren.

Maak vragen in plaats van samenvattingen. Zet per hoofdstuk tien vragen op papier waarvan je denkt dat ze op het examen kunnen staan. Dat dwingt je om te bepalen wat belangrijk is, wat de helft van het studeerwerk is, en je houdt er een toetsingsinstrument aan over.

Vat samen met de cursus dicht. Als je toch samenvat: lees een stuk, sluit het boek, schrijf op wat je nog weet, en open het pas daarna om te controleren. Even lang, compleet ander soort werk.

Vertel het hardop. Aan iemand anders, of aan een lege kamer. Geschiedenis is een verhaalvak en verhalen vertel je. Waar je hapert, zit je gat.

Op het examen zelf

Een paar dingen die punten opleveren zonder dat je er meer voor moet kennen.

Lees wat het werkwoord vraagt. Noem, beschrijf, verklaar en vergelijk vragen verschillende antwoorden. Noem vraagt een opsomming. Verklaar vraagt een oorzaak-gevolgketen. Vergelijk vraagt expliciet allebei de kanten, en een antwoord dat alleen het ene beschrijft, krijgt de helft.

Antwoord in stappen bij een verklaringsvraag. Elke schakel in je keten is meestal een punt waard. Wie alleen het eindpunt opschrijft, laat de rest liggen, ook als hij het wist.

Gebruik de vaktermen. Nationalisme, industrialisatie, kolonisatie, secularisatie. Dezelfde inhoud in gewone woorden scoort lager, omdat de term laat zien dat je het verschijnsel herkent en niet alleen de gebeurtenis.

Schrijf niet meer dan gevraagd. Een juist antwoord met drie extra beweringen die niet kloppen, scoort lager dan het korte juiste antwoord. Bij een vak met veel leerstof is de verleiding groot om alles op te schrijven wat je nog weet, en het werkt tegen je.

Wat ik ervan vind

De meeste studietips die rondgaan, doen weinig. Op tijd beginnen, een planning maken, een mooie samenvatting. Er zit waarheid in en ze verzetten weinig.

Wat wel telt, is of je studeert op een manier die lijkt op wat er getest wordt. Bij geschiedenis betekent dat: jezelf ondervragen in plaats van herlezen, en in ketens denken in plaats van in lijsten. Dat is geen spectaculair advies, en het is ongeveer het enige dat het verschil maakt.

Er is ook een aangename bijkomstigheid. Wie geschiedenis leert als een reeks verbanden in plaats van als losse feiten, houdt er iets aan over dat na het examen blijft. Dat geldt voor weinig schoolvakken, en het is een van de redenen dat ik dit vak onderschat vind.

Als het aan de methode ligt en niet aan het vak

Loopt het bij meerdere zaakvakken tegelijk mis, dan is het bijna nooit de leerstof. Dan is het de manier van studeren, en die is aanpasbaar.

Daarover staat meer in onthouden wat je studeert en in studeren voor een examen. Loopt het vast op planning en overzicht in plaats van op inhoud, dan is studieplanning maken nuttiger.

Zit geschiedenis in je tweede zit, dan geldt hetzelfde principe met minder tijd: begin bij de dichte-cursus-test en besteed je uren aan de ketens, niet aan de data. De algemene aanpak staat in herexamen of tweede zit voorbereiden.

Aardrijkskunde vraagt een verwante maar net andere aanpak, want daar zit meer kaartwerk en minder chronologie in, en dat staat in aardrijkskunde leren.

Veelgestelde vragen

Moet ik jaartallen uit het hoofd kennen?

Een beperkt aantal wel, als ankerpunten waaraan je de rest ophangt. Maar de meeste examenvragen gaan niet over wanneer iets gebeurde, ze gaan over waarom en met welk gevolg. Wie zijn tijd volledig aan data besteedt, studeert het onderdeel dat het minst zwaar weegt.

Waarom haal ik een zes terwijl ik er uren aan besteed heb?

Bijna altijd omdat die uren aan herlezen zijn gegaan. Geschiedenis is veel tekst, en tekst nodigt uit om gelezen te worden. Herlezen geeft een sterk gevoel van kennen en traint geen enkele van de dingen die een examen vraagt: reproduceren en verbanden leggen.

Hoe onthou ik zoveel namen en begrippen?

Door ze aan een verhaal te koppelen in plaats van aan een definitie. Een begrip dat je kent als losse omschrijving, verdwijnt binnen de week. Hetzelfde begrip als onderdeel van een oorzaak-gevolgketen blijft hangen, omdat je het dan kan terugvinden via de keten als je het even kwijt bent.

Wat wordt er op een examen geschiedenis eigenlijk gevraagd?

Meestal een mengeling van drie dingen: kennisvragen over feiten en begrippen, verklaringsvragen over oorzaken en gevolgen, en bronvragen waarbij je een tekst of afbeelding moet duiden. Die laatste twee leveren samen doorgaans de meeste punten op en worden het slechtst voorbereid.

Helpt bijles voor geschiedenis?

Minder vaak dan voor wiskunde, en soms precies wat nodig is. Wie de leerstof begrijpt maar niet weet hoe hij ze moet instuderen, heeft geen vakbijles nodig maar hulp met studiemethode. Wie de verbanden echt niet ziet, heeft daar wel iemand voor nodig die hem laat vertellen tot het klopt.