Terug naar de blog
Nederlandsspellingwerkwoordspellingdt-foutensecundair onderwijsVlaanderen

Dt-fouten: de regels, en waarom je ze toch verkeerd schrijft

Louis Vanhove7 min lezen

Er is één taalonderwerp waar leerlingen punten op verliezen terwijl ze de theorie perfect kennen, en dat zijn de dt-fouten.

Vraag iemand de regel en hij dreunt ze op. Laat diezelfde persoon een tekst schrijven en er staan er drie in. Dat is geen kennisprobleem en het lost zich dus ook niet op met meer theorie.

Waarom de fout ontstaat

Schrijven gaat grotendeels automatisch. Je denkt aan wat je wil zeggen, niet aan hoe je het spelt, en dat is maar goed ook, want anders kwam je nooit vooruit.

Het probleem is dat bij werkwoorden die op een d-klank eindigen, alle vormen hetzelfde klinken. Word, wordt en worden verschillen in je oor nauwelijks of niet. Je gehoor geeft je dus geen signaal, en je automatische piloot kiest wat er het vaakst voorbijkwam.

Daarom werkt "beter opletten" niet als advies. Wat wel werkt, is een controlemoment inbouwen: een vast moment waarop je bewust naar één ding kijkt.

De drie regels, kort

Tegenwoordige tijd. De ik-vorm is de stam, zonder iets erachter. Bij jij, hij en zij komt er een t bij: ik word, jij wordt, hij wordt.

De uitzondering die de meeste fouten oplevert: staat jij áchter het werkwoord, dan valt die t weg. "Jij wordt boos" maar "word jij boos?" en "word je even stil?". Dat geldt alleen bij jij en je, niet bij hij of zij.

Verleden tijd. Stam plus de of te, met een n erachter in het meervoud. Welke van de twee bepaal je met 't kofschip: eindigt de stam op t, k, f, s, ch of p, dan te. In alle andere gevallen de. Werkte, maakte, blafte, danste, lachte, stopte tegenover woonde, speelde, leerde.

Let op dat het om de klank gaat en niet om de letter. Het werkwoord verhuizen heeft een stam die eindigt op een z-klank, dus verhuisde met een d, ook al schrijf je in de ik-vorm een s.

Voltooid deelwoord. Ge plus stam plus d of t, met dezelfde 't kofschip-regel. Gewerkt, gemaakt, gestopt tegenover gewoond, gespeeld, gebeurd.

De truc die het snelst werkt

Bij twijfel: vervang het werkwoord door lopen.

Loopt hij? Dan is het tegenwoordige tijd, dus stam plus t: hij wordt. Liep hij? Dan is het verleden tijd, en dan gelden andere regels.

Dit werkt omdat je bij lopen het verschil hoort, en dat is precies wat je bij worden of gebeuren mist. Het kost twee seconden en het lost het overgrote deel van de gevallen op.

Voor het voltooid deelwoord is er een tweede versie: vervang door maken. Gemaakt eindigt hoorbaar op een t-klank. Zet je hetzelfde werkwoord in de vergelijking en hoor je een d, dan schrijf je d. Gebeurd hoort bij gewoond en niet bij gemaakt.

Waar het bij Vlaamse leerlingen extra misgaat

Een paar gevallen die systematisch terugkomen en die de moeite zijn om apart te oefenen.

Werkwoorden die op een d eindigen in de stam. Worden, houden, vinden, bieden. Hier is elke vorm gelijkluidend en is het volledig regelwerk. Dit is waar de meeste dt-fouten vandaan komen.

De inversie met jij. "Wat vind jij ervan" tegenover "jij vindt er niets van". Deze regel wordt in het dagelijks schrijven bijna altijd genegeerd en op een examen wel geteld.

Het voltooid deelwoord dat op een bijvoeglijk naamwoord lijkt. "De verhuisde familie" tegenover "de familie is verhuisd". Bij twijfel: als het achter het zelfstandig naamwoord staat en met een vorm van zijn of hebben gebruikt wordt, is het een voltooid deelwoord.

Werkwoorden met een voorvoegsel. Bij gebeuren, verhuizen en ontmoeten komt er geen ge voor het voltooid deelwoord, en dat brengt mensen in de war over de rest van de vorm. De d-of-t-regel verandert daar niet door.

Van regel naar gewoonte

Dit is het deel dat de punten oplevert, en het is het minst spannende deel.

Twee weken, tien minuten per dag. Neem tien zinnen met een gat waar het werkwoord in moet, vul ze in, kijk na. Niet meer. De regels ken je binnen een dag; wat je opbouwt is de reflex om te twijfelen op de juiste momenten.

Bouw een controlemoment in. Aan het eind van elke tekst die je schrijft: lees hem één keer door en kijk alleen naar de werkwoorden. Niet naar de inhoud, niet naar de zinsbouw, alleen naar werkwoorden. Alles tegelijk nalezen is in de praktijk niets nalezen.

Hou je eigen fouten bij. Wie zijn verbeterde teksten bekijkt, ontdekt meestal dat hij niet overal fouten maakt maar bij twee of drie specifieke werkwoorden. Dat is een korte lijst en die kan je gewoon uit het hoofd leren.

Op een examen

Reserveer de laatste vijf minuten voor een gerichte controle. Alleen werkwoorden, van boven naar beneden.

Bij elk werkwoord op een d of t: doe de lopen-test. Bij elk voltooid deelwoord: doe de maken-test. Dat is per tekst een minuut of twee werk en het is meestal het verschil tussen drie fouten en nul.

En bij twijfel over een zin die je toch niet zeker weet: schrijf hem anders. Een zin die je correct kan spellen, is beter dan een zin die mooier klinkt en waar je op gokt. Dat is geen zwaktebod, dat is precies wat een goede schrijver doet.

De andere spellingsvallen die punten kosten

Als je toch bezig bent, zijn er drie dingen die na de werkwoordspelling het vaakst misgaan en die elk een half uur kosten om op te lossen.

Als of dan. Bij gelijkheid gebruik je als, bij ongelijkheid dan. Even groot als, groter dan. In gesproken Vlaams lopen die twee vrijwel volledig door elkaar, wat betekent dat je gehoor je hier net zo min helpt als bij de dt. De vuistregel: staat er een vergrotende trap, dan is het dan.

De tussen-n in samenstellingen. Pannenkoek, ruggengraat, maar zonnestraal. De hoofdregel is dat je een n schrijft als het eerste deel een meervoud op -en heeft en geen meervoud op -s. Er zijn uitzonderingen, en het is een van de weinige onderdelen waar opzoeken sneller is dan redeneren.

Aaneenschrijven. Ten minste tegenover tenminste, uit eindelijk bestaat niet, en samenstellingen die je in het Engels los ziet staan, schrijf je in het Nederlands aan elkaar. Dat laatste is een groeiende fout omdat we veel Engels lezen: "online marketing bureau" hoort "onlinemarketingbureau" te zijn.

Deze drie samen zijn goed voor een aanzienlijk deel van de spellingspunten die na de werkwoorden nog te verliezen zijn, en ze zijn alle drie eindig in omvang.

Waarom dit meer waard is dan het lijkt

Een dt-fout kost je bij Nederlands een deel van je spellingspunten, en dat is al vervelend genoeg.

Maar het loopt door. Op examens van andere vakken telt spelling soms mee. In een sollicitatiebrief telt het zeker mee, en daar oordeelt iemand die je niet kent alleen op wat er op papier staat. En het is een van de weinige dingen die je in twee weken permanent kan oplossen.

Van alle uren die je in Nederlands steekt, zijn dit de goedkoopste punten die er te halen zijn. Ze zijn regelgestuurd, eindig in aantal, en niemand anders in de klas heeft er meer talent voor dan jij.

De rest van het vak, tekstbegrip, schrijven en literatuur, staat uitgewerkt in tweede zit Nederlands, en die aanpak werkt ook als je niet in een herexamen zit. Voor het oefenen zelf, dus hoe je een gewoonte opbouwt met korte dagelijkse herhaling, staat er meer in onthouden wat je studeert.

Schrijf je een langere tekst waar spelling meetelt, dan is de bredere aanpak te vinden in een taak of werkstuk schrijven. En loopt het bij meerdere talen tegelijk vast in plaats van alleen bij Nederlands, dan is dat meestal een methodekwestie: woordenschat leren legt uit waarom oefenen in de verkeerde richting zo veel tijd kost.

Veelgestelde vragen

Wat is de regel voor dt in de tegenwoordige tijd?

De ik-vorm is de stam, zonder uitgang. Bij jij, hij en zij komt er een t bij de stam. Staat het onderwerp jij achter het werkwoord, dan valt die t weg: 'jij wordt' maar 'word jij'. Dat laatste is de uitzondering waar de meeste fouten in zitten.

Hoe werkt de truc met lopen?

Vervang het werkwoord waar je twijfelt door lopen en kijk wat je hoort. Klinkt het als 'loopt', dan schrijf je stam plus t. Klinkt het als 'liep', dan zit je in de verleden tijd en gelden andere regels. Het werkt omdat je bij lopen het verschil hoort en bij worden of gebeuren niet.

Wat is 't kofschip precies?

Een geheugensteun voor de verleden tijd en het voltooid deelwoord. Eindigt de stam op een van de medeklinkers in 't kofschip, dus t, k, f, s, ch of p, dan gebruik je te of t. In alle andere gevallen de of d. Let op: het gaat om de klank van de stam, niet om de letter.

Waarom maak ik de fout terwijl ik de regel ken?

Omdat schrijven grotendeels automatisch gaat en de regel bewuste aandacht vraagt. Onder tijdsdruk schrijf je wat vertrouwd aanvoelt, en bij werkwoorden op d klinken alle vormen hetzelfde. De oplossing is dus geen extra theorie maar een controlemoment aan het eind van je tekst.

Hoe lang duurt het om dit onder de knie te krijgen?

De regels zelf leer je in een uur. De gewoonte om te controleren duurt langer, ongeveer twee tot drie weken van dagelijks kort oefenen. Dat tweede is waar de punten zitten, want bijna iedereen die dt-fouten maakt, kent de regels al.